Er was eens een magisch bos genaamd het Honderd Bunderbos waar een beer woonde die Winnie de Poeh heette. Hij was niet erg groot en zijn hersens waren best klein, maar zijn hart was het allergrootste van het hele bos. Poeh woonde in een knus boomhuis met een bordje ‘Meneer Sanders’ boven de deur. Elke ochtend werd hij wakker en dacht hij aan zijn favoriete ding in de hele wereld: honing!
Op een zonnige ochtend controleerde Poeh zijn honingpotten en ontdekte iets vreselijks—ze waren allemaal leeg! 'O jee,' zei Poeh, terwijl hij zijn rommelige buikje wreef. 'Ik weet zeker dat er gisteren nog honing in zat.' Hij keek in elke pot, zelfs ondersteboven, maar er was geen druppel gouden honing meer. Zijn buik rommelde luid. Het was tijd om meer honing te vinden!
Poeh herinnerde zich dat zijn vriend Konijn altijd heerlijk eten had. Hij waggelde door het bos tot hij het knusse hol van Konijn vond. 'Hallo, Konijn!' riep Poeh. 'Heb je misschien honing?' Konijn zuchtte maar nodigde zijn vriend binnen uit. Poeh at en at en at tot zijn buik rond was als een ballon. Maar toen hij probeerde te vertrekken—oh jee! Hij zat vast in Konijn's voordeur!
Terwijl hij wachtte om los te komen, hoorde Poeh een klein stemmetje. 'P-P-Poeh? Ben jij dat?' Het was Knorretje, het kleinste en meest verlegen wezentje in het Honderd Bunderbos. Knorretje was Poeh's allerbeste vriend. Hij droeg een gestreepte trui en had de grootste oren voor zo'n klein biggetje. 'Oh, Knorretje!' zei Poeh blij. 'Ik lijk in een beetje een plakkerige situatie te zitten.'
Nadat Poeh eindelijk loskwam uit Konijn's deur (het duurde drie hele dagen zonder honing te eten!), besloten hij en Knorretje op avontuur te gaan. 'Waar zullen we heen gaan, Poeh?' vroeg Knorretje nerveus. 'Ik denk,' zei Poeh bedachtzaam, 'dat we moeten gaan verkennen. Wie weet wat we zullen vinden!' Samen gingen de twee vrienden op pad door de goudgroene paden van het Honderd Bunderbos.
Ze vonden hun vriend Iejoor bij de beek, die er nog somberder uitzag dan normaal. 'Wat is er, Iejoor?' vroeg Knorretje. 'Mijn staart,' zei Iejoor verdrietig. 'Hij is weg. Weer. Niet dat iemand het zou merken. Of erom zou geven.' Poeh en Knorretje keken—inderdaad, waar Iejoor's staart had moeten zijn, was niets anders dan een kleine spijker! 'Maak je geen zorgen, Iejoor,' zei Poeh. 'We zullen hem vinden!'
Poeh en Knorretje zochten hoog en laag naar Iejoor's staart. Ze keken onder struiken, achter bomen en in holle boomstammen. 'Misschien heeft Teigetje het gezien?' stelde Knorretje voor. Ze vroegen het aan Konijn, die te druk was met zijn tuin. Ze vroegen het aan Kanga, die Kleine Roe aan het baden was. Niemand had de staart met de roze strik gezien. Waar kon hij toch zijn?
Uiteindelijk bezochten ze Uil's boomhuis. 'Kom binnen, kom binnen!' riep Uil belangrijk. Terwijl Poeh rondkeek, zag hij iets bekends hangen bij Uil's deur—het werd gebruikt als beltrekker! 'Uil,' zei Poeh langzaam, 'dat is Iejoor's staart!' 'Is dat zo?' zei Uil verrast. 'Ik vond het in het bos en dacht dat het een mooie beltrekker was.' Ze haastten zich om het naar Iejoor terug te brengen, die zo blij was dat hij bijna glimlachte.
BOUNCE! BOUNCE! BOUNCE! Iets oranjes en gestreept sprong door het bos. 'Ho-ho-ho!' riep Teigetje, het leukste aan Teigetjes is dat hij de enige was! Hij sprong recht op Poeh af en sloeg hem omver. 'Hallo daar!' zei Teigetje. 'Ik ben Teigetje! T-I-dubbel Guh-ER! En springen is wat Teigetjes het beste doen!'
Teigetje wilde aan iedereen laten zien hoe hoog hij kon springen. Hij sprong omhoog, omhoog, OMHOOG—recht in de hoogste boom van het bos! Maar toen keek hij naar beneden. 'Oh jee,' zei Teigetje, zijn zelfverzekerdheid plotseling verdwenen. 'Teigetjes houden niet van hoogtes!' Hij klampte zich vast aan de tak, te bang om naar beneden te komen. Al zijn vrienden verzamelden zich beneden om de vastzittende Teigetje te helpen redden.
Op een mooie dag kwamen twee nieuwe vrienden aan in het Honderd Bunderbos—Kanga en haar baby Roe! Kanga was een lieve, moederlijke kangoeroe met de zachtste stem. Kleine Roe keek nieuwsgierig uit haar buidel, klaar om te spelen. 'Mag ik met Teigetje springen?' vroeg Roe opgewonden. Kanga glimlachte en al snel werden Roe en Teigetje de springerige beste vrienden van het hele bos.
De honing van Poeh was weer op (hij kon zich niet voorstellen waar het gebleven was!), dus besloot hij wat van de bijen te halen. Hij vond een ballon en zweefde omhoog, omhoog, omhoog naar een hoge boom waar de bijen hun honing bewaarden. 'Ik ben maar een klein zwart regentje,' neuriede Poeh tegen zichzelf, hopend dat de bijen het niet zouden merken. Maar bijen zijn behoorlijk slim, en ze kennen een beer als ze er een zien!
ZOEM! ZOEM! ZOEM! De bijen waren NIET blij met Poeh die hun honing probeerde te pakken! Ze achtervolgden hem door het bos, over heuvels, langs Konijn's tuin en rond Uil's boom. Arme Poeh rende zo snel als zijn kleine pootjes hem konden dragen. 'O jee, o jee, O JEE!' hijgde hij. Hij dook in de beek met een grote PLONS, en de bijen vlogen eindelijk weg.
Net toen Poeh koud en druipend uit het water klom, hoorde hij een bekende stem. 'Dwaas oud beertje!' Het was Janneman Robinson, de liefste jongen van de hele wereld. Hij wikkelde Poeh in een warme handdoek en gaf hem een hele pot gouden honing. 'Dank je, Janneman Robinson,' zei Poeh gelukkig. 'Jij weet altijd precies wat je moet doen.' En Janneman Robinson glimlachte, want zijn vrienden helpen was zijn favoriete ding.
Om hun vriendschap te vieren, organiseerde Janneman Robinson een groot picknick in de zonnige weide. Iedereen kwam—Poeh met zijn honingpot, Knorretje met eikelsandwiches, Konijn met groenten uit zijn tuin, Uil met verhalen om te vertellen, Iejoor met een terughoudende glimlach, Teigetje met zijn sprongen, en Kanga en Roe met heerlijke taart. Ze lachten en speelden tot de zon begon onder te gaan.
Op een mistige ochtend ging Poeh wandelen en raakte vreselijk verdwaald. De mist was zo dik dat hij zijn eigen poten niet kon zien! 'Oh jee,' zei Poeh, terwijl hij deze kant op en die kant op draaide. Elke boom zag er hetzelfde uit. Elk pad leidde nergens heen. Hij ging op een boomstam zitten en voelde zich een beetje bang. 'Ik wou dat mijn vrienden hier waren,' fluisterde hij tegen de mist.
Maar Poeh's vrienden ZOCHTEN wel naar hem! Knorretje was dapper, zelfs al was hij bang. Teigetje sprong door de mist en riep zijn naam. Konijn organiseerde een zoekpartij. Zelfs Iejoor hielp, hoewel hij het ergste verwachtte. Eindelijk hoorden ze Poeh's kleine deuntje door de mist. 'Daar is hij!' piepte Knorretje. Ze haastten zich allemaal om hun dierbare vriend te omhelzen. Samen vonden ze de weg naar huis.
Het arme huisje van Iejoor van stokjes was weer ingestort. 'Het maakt niet uit,' zei Iejoor somber. 'Ik vond die hoek toch niet leuk.' Maar zijn vrienden vonden dat het wel belangrijk was! Iedereen werkte samen—Poeh en Knorretje verzamelden stokjes, Konijn ontwierp de plannen, Teigetje sprong hoge takken naar beneden, Uil hield toezicht, en Janneman Robinson hielp met stapelen. Tegen zonsondergang had Iejoor het knusste huisje van het hele bos.
De dieren besloten een 'Held Feest' voor Poeh te geven! 'Maar wat heb ik gedaan?' vroeg Poeh verbaasd. 'Je bent altijd aardig,' zei Knorretje. 'Je helpt verloren dingen vinden,' zei Iejoor, terwijl hij zijn staart aanraakte. 'Je bent een geweldige vriend,' zei iedereen samen. Poeh voelde zich warm en gelukkig van binnen—warmer zelfs dan honing hem deed voelen. Door zijn vrienden geliefd worden was het zoetste van alles.
Terwijl de sterren verschenen boven het Honderd Bunderbos, stopte Janneman Robinson Poeh in bed. 'Poeh,' zei hij zachtjes, 'beloof dat je me nooit zult vergeten, zelfs niet als ik honderd ben.' Poeh dacht zorgvuldig na. 'Hoe oud zal ik dan zijn?' 'Negenennegentig,' zei Janneman Robinson. Poeh knikte. 'Ik beloof het.' En met een warme omhelzing en dromen vol honing zei het Honderd Bunderbos goedenacht.
