Er was eens een wonderlijke muzikant die helemaal alleen door het bos dwaalde. Hij speelde zo prachtig op zijn viool dat de vogels ophielden met zingen om te luisteren, en de bladeren leken te dansen in de wind. Maar de muzikant voelde zich eenzaam in zijn hart. 'Oh, hoe zou ik toch een goede metgezel kunnen vinden om met mij door deze bossen te reizen!' verzuchtte hij. Hij klemde zijn viool onder zijn kin en begon de zoetste melodie te spelen die hij kende, in de hoop dat de muziek hem een vriend zou brengen.
De betoverende muziek zweefde door de bomen, en al snel kwam er een grote grijze wolf uit de struiken geslopen. 'Wat een prachtige muziek!' zei de wolf. 'Alsjeblieft, goede muzikant, leer mij zo te spelen!' Maar de muzikant wilde geen wolf als metgezel. 'Goed dan,' zei hij sluw. 'Steek je poten in deze spleet in de eik, dan zal ik je leren.' De domme wolf deed wat hem werd gezegd, en de muzikant klemde een steen in de spleet, waardoor de poten van de wolf vast kwamen te zitten. 'Wacht hier totdat ik terugkom!' riep de muzikant, en hij liep weg, al spelend op zijn viool.
De muzikant vervolgde zijn weg, nog steeds hopend op een echte vriend. Al gauw verscheen er een rode vos, aangetrokken door de prachtige muziek. 'Beste muzikant,' zei de vos, 'je spel vervult mijn hart met vreugde! Leer me alstublieft zulke prachtige klanken te maken!' Maar de muzikant wilde ook geen vos als metgezel. 'Kom dan met me mee,' zei hij, en leidde de vos naar een pad omzoomd met hazelaarstruiken. Hij boog twee jonge boompjes naar de grond, bond de poten van de vos eraan vast en liet ze weer omhoog springen, zodat de vos in de lucht bungelde. 'Vaarwel voorlopig!' zei de muzikant, en hij ging verder.
Nog steeds spelend op zijn viool, liep de muzikant dieper het bos in. Een schuchter haasje hupte vanachter een varen tevoorschijn, zijn lange oren trilden. 'Oh, wat een magische muziek!' riep het haasje. 'Wil je het me alsjeblieft leren?' Maar de muzikant had geen zin in een haasje als metgezel. 'Als je het wilt leren, volg me dan,' zei hij. Hij leidde het haasje om een hoge lindeboom en bond een touw om zijn nek, en maakte het andere uiteinde aan de stam vast. 'Ren twintig keer om de boom!' instrueerde de muzikant. Het haasje gehoorzaamde, en al snel zat het vastgebonden aan de boom. De muzikant lachte en ging vrolijk verder.
Ondertussen worstelde de wolf en trok totdat hij eindelijk zijn poten uit de eik had bevrijd. Jankend van woede rende hij door het bos en vond al snel de vos hulpeloos hangend aan de hazelaarstruiken. De wolf beet het touw door en bevrijdde de vos. Samen ontdekten ze het arme haasje dat om de lindeboom was gewikkeld en maakten het ook los. 'Die gemene muzikant heeft ons allemaal voor de gek gehouden!' gromde de wolf. 'We moeten hem vinden en hem een lesje leren!' De drie boze dieren gingen samen op pad, op zoek naar het geluid van de viool.
De muzikant speelde verder, zich niet bewust van het naderende gevaar. Al snel kwam hij een vriendelijke houthakker tegen die onder een grote beuk lag te rusten. 'Goedendag!' riep de muzikant vrolijk. 'Wat een prachtige muziek!' zei de houthakker, terwijl hij overeind kwam. 'Ik heb nog nooit zoiets moois gehoord!' Eindelijk had de muzikant een metgezel gevonden die hij echt wilde. 'Blijf bij me, vriend,' zei de muzikant. 'Ik was op zoek naar iemand zoals jij.' De houthakker glimlachte warm, 'Ik zou vereerd zijn om met zo'n getalenteerde kerel te reizen!' En zo schudden ze elkaar de hand en werden vrienden.
Op datzelfde moment stormden de wolf, de vos en het haasje door het struikgewas, hun ogen vlamden van woede. De muzikant werd bleek, maar de dappere houthakker stapte naar voren en hief zijn bijl op. 'Terug, jullie beesten!' riep hij. 'Als jullie mijn vriend proberen te verwonden, krijgen jullie met mij te maken!' De dieren keken naar de scherpe bijl en de sterke armen van de houthakker. Angst verving hun woede, en ze sloegen op de vlucht terug het bos in zo snel als hun poten hen konden dragen.
De muzikant en de houthakker lachten samen toen de dieren tussen de bomen verdwenen. 'Dank je, mijn vriend!' zei de muzikant dankbaar. 'Je hebt me gered!' De houthakker klopte hem op de schouder. 'Daar zijn vrienden voor,' zei hij. Vanaf die dag reisden de muzikant en de houthakker samen over de bospaden. De muzikant speelde zijn prachtige melodieën, en de houthakker hield hen beiden veilig. En wanneer iemand vroeg hoe ze elkaar hadden ontmoet, speelde de muzikant een speciaal deuntje, en glimlachten ze beiden, denkend aan de dag dat ze een echte vriend vonden. En ze leefden nog lang en gelukkig.








