Er was eens een Koningin die geen kinderen had gekregen van de goede lieve God. De Koningin zuchtte en wenste zo vaak dat ze eens een kindje zou hebben om mee te spelen en te knuffelen. Maar ja, de Goden hadden andere plannen, en daar moest ze het mee doen.
De kok dacht bij zichzelf: 'Als dit kind kan wensen wat hij wil, ben ik mooi de klos als hij iets verkeerds wenst.' En dus besloot hij om de jongen in de gaten te houden en ervoor te zorgen dat hij geen gekke dingen zou wensen. Maar ja, je weet hoe kinderen zijn – die hebben altijd hun eigen ideeën.
De koningszoon bleef nog een tijdje waar hij was, maar hij dacht steeds aan zijn moeder en vroeg zich af of ze nog leefde. Hij miste haar knuffels en haar warme glimlach. Maar ja, het leven gaat door, en hij moest ook verder.
De koning was dolblij en beval dat de hele hofhouding de volgende dag met hem zou eten. Hij organiseerde een groot feest met bergen pannenkoeken en liters limonade. Iedereen was uitgenodigd, zelfs de hofnar die altijd grappen maakte over de koning zijn snor.
En de koning stuurde twee hofdames en twee bedienden naar de toren, om de koningin op te halen en naar de koninklijke tafel te brengen. De koningin was verrast en vond het allemaal wel een beetje verdacht, maar wie zegt nou nee tegen een feestmaal?
De oude koning gaf bevel om de kok in vier stukken te laten scheuren, maar het verdriet vrat aan het hart van de koning zelf en niet lang daarna overleed hij. En zo eindigde het verhaal van de wensen en de koninklijke avonturen.






