Er was eens een vrolijke sprinkhaan die door de zomerweide sprong. Hij speelde viool op een droge grasspriet en zong een vrolijk deuntje voor iedereen die wilde luisteren. De zon was warm en de wereld voelde vol muziek.
Aan de andere kant van het stoffige pad droeg een ijverige mier zware graankorrels één voor één naar haar nest. Ze pauzeerde om elke reis te plannen en keek naar de lucht voor tekenen van stormen. 'Kom spelen!' lachte de sprinkhaan. 'De zon is warm en de wind is zoet!'
De mier veegde het zweet van haar voorhoofd en antwoordde zonder boos te worden: 'Ik speel als mijn werk af is. De winter komt altijd, en mijn familie moet voorbereid zijn.' Dag na dag koos de sprinkhaan voor muziek en schaduw, terwijl de mier zaden opsloeg en haar tunnels repareerde.
Toen de herfst aanbrak en de velden koeler werden, merkte de sprinkhaan dat de bloemen verwelkten. De weide werd stil terwijl de insecten hun schuilplaatsen zochten. Hij voelde een klein tikje van ongerustheid, maar vertelde zichzelf dat morgen net zo gemakkelijk zou zijn als vandaag.
Toen kwam de echte winter. Rijp bedekte het gras met zilver en de weide viel helemaal stil. De sprinkhaan rilde in de snijdende wind en zocht naar een hapje eten, maar de stengels waren kaal en de grond was hard bevroren.
Hongerig en koud herinnerde hij zich de ijverige mier. Hij liep naar haar knusse deurtje en klopte zachtjes aan. 'Alsjeblieft,' fluisterde hij, 'ik heb geen eten en de winter is zo heel erg koud.'
De mier begroette hem met zorg. Ze berispte hem niet om zijn gezang. In plaats daarvan bood ze hem een warme plek aan bij het vuur en een portie van haar graan. 'Zing nu voor ons,' zei ze vriendelijk, 'en als de lente terugkeert, plan net zo goed als je speelt.'
Zo leerde de sprinkhaan vreugde te balanceren met voorbereiding. De volgende zomer sloeg hij eten op tussen zijn liedjes. Hij leefde gelukkig, wetende dat wijze keuzes maken vandaag elke morgen veel vriendelijker maakt.








