Er was eens een jonge prins die dolgraag wilde trouwen met een echte prinses. Hij ontmoette vele prinsessen tijdens zijn reizen, maar hij kon niet zeggen of er eentje echt was. Dat maakte hem verdrietig, dus keerde hij terug naar zijn kasteel. Op een avond stak er een flinke storm op.
Er was een knetterende donder, een fel bliksemlicht en een stortvloed aan regen. Er klonk een klop op de stadspoort. De oude koning deed open en zag een meisje in de regen staan. Het water stroomde uit haar haar en jurk, in haar schoenen, en weer uit haar hakken.
Ze zei: Ik ben een echte prinses. De oude koningin glimlachte vriendelijk. Ze wilde ontdekken of het meisje een echte prinses was. Ze ging naar de slaapkamer en legde een kleine erwt op het bedframe. Daarna stapelde ze twintig zachte matrassen op de erwt en twintig warme donzen dekbedden daar bovenop.
De koningin vroeg het meisje daar die nacht te slapen. In de ochtend vroeg iedereen: Hoe heb je geslapen? Het meisje zei: Ik heb heel slecht geslapen. Ik voelde iets hards in het bed. Nu zit ik onder de blauwe plekken. Het was verschrikkelijk.
De koning en de koningin kenden de waarheid. Alleen een echte prinses kon een kleine erwt onder zoveel bedden voelen. De prins was eindelijk gelukkig. Hij trouwde met de echte prinses met vreugde en zorg. De kleine erwt werd in een museum geplaatst zodat mensen het konden zien.
Als niemand het heeft meegenomen, ligt het er vandaag de dag nog steeds. Dit is een waargebeurd verhaal om te vertellen met een glimlach.






