Er was eens een man met drie zonen. De jongste heette Simpel en hij was een echte lieverd die zachtjes sprak en graag deelde. Op een dag gingen zijn broers het bos in om hout te hakken. Ze kwamen een klein grijs mannetje tegen dat om een hapje eten en een slokje drinken vroeg. De oudere broers hielden hun lekkere eten voor zichzelf en zeiden nee. Later vroeg Simpel of hij ook mocht helpen. Hij had een eenvoudige koek en een zure drank bij zich. Toen het grijze mannetje vroeg, glimlachte Simpel en zei: 'Ik heb alleen simpele kost, maar je bent van harte welkom om mee te eten.'
Terwijl ze aten, smaakte de koek heerlijk en de drank zoet. 'Dank je,' zei het grijze mannetje. 'Je hebt een goed hart. Hak die oude boom naast de heuvel en je zult geluk vinden.' Simpel hakte de boom om en vond een gans met schitterende gouden veren. Hij nam de gans mee naar een herberg om daar te overnachten. De drie dochters van de herbergier wilden allemaal een gouden veer aanraken. Toen de eerste voorzichtig een veer aanraakte, bleef haar hand aan de gans vastzitten. De tweede raakte haar zus aan en bleef ook hangen.
De derde stapte naar voren en bleef ook vastzitten. De volgende ochtend nam Simpel de gans onder zijn arm en ging verder. De drie zussen moesten in een grappige rij volgen. Onderweg probeerden een pastoor, een koster en twee boeren te helpen, maar iedereen die de rij aanraakte, bleef ook plakken. Simpel liep met de gouden gans en de lange rij naar een dorp waar een koning woonde. De prinses van dat dorp was heel serieus en lachte nooit. De koning had gezegd: 'Wie mijn dochter aan het lachen maakt, mag haar hand vragen.'
Toen de prinses Simpel met de glanzende gans en de lange, wiebelige rij mensen zag, barstte ze in lachen uit en kon niet meer stoppen. Simpel had een wens verdiend, maar de koning wilde zeker weten dat Simpel voor een gezin kon zorgen. 'Eerst,' zei de koning, 'breng iemand die de wijnkelder leeg kan drinken.' Simpel ging naar het bos en vond een vriendelijke man die zei: 'Ik heb zo'n dorst en water helpt niet. Laat me het proberen.' De man ging bij de vaten zitten en dronk en dronk tot de kelder leeg was.
Vervolgens, zei de koning, 'breng iemand die een berg brood kan eten.' Simpel vond nog een vriendelijke man in het bos die een riem om zijn middel had gebonden. Hij zei: 'Ik heb zo'n honger dat het brood verdwijnt als kruimels.' Hij ging zitten en at en at tot de berg brood op was. Ten slotte, zei de koning, 'breng een boot die zowel op het land als op het water kan varen.' Simpel ging terug naar het bos. Het grijze mannetje wachtte daar. 'Ik heb je geholpen met eten en drinken,' zei hij vriendelijk, 'en nu zal ik je helpen varen.'
'Omdat je met mij deelde, krijg je hier een klein bootje dat over paden vaart en rivieren oversteekt.' Simpel bedankte hem en voer met het slimme bootje naar het paleis. De koning glimlachte eindelijk. 'Je hebt vriendelijkheid en gezond verstand getoond,' zei hij. De prinses, nog steeds glimlachend, stemde toe. Er werd een vrolijk huwelijk gevierd. Simpel en de prinses bezochten het grijze mannetje om hem te bedanken. Ze zorgden voor de gouden gans in een veilige tuin waar iedereen zijn schitterende veren kon bewonderen zonder er een uit te trekken.
Toen de oude koning moe werd, werden Simpel en de prinses koning en koningin. Ze regeerden met vriendelijke harten. Ze deelden eten met reizigers, hielden eerlijke beloften en lachten vaak samen. En het kleine bootje voer soms over de groene velden zodat kinderen konden meerijden en naar de gouden gans konden zwaaien.







